January 24th, 2009 by Erik
Het was niet echt te zien op mijn boekenlijstje in de rechterkolom van mijn blog, maar het was dan ook mijn reisboek. Begonnen tijdens het wachten op de vlucht naar Manchester afgelopen weekend, en bijna uit wanneer ik terug in België landde. Het leest dan ook best wel vlot, alleen bleek onderlijnen tijdens turbulentiemomenten niet zo evident…

“Natural ESP” was een baanbrekend boek. ‘t Is te zeggen, het gaat in wezen over een baanbrekend inzicht, en de gevolgen die daaraan vasthangen.
Maar laat ons beginnen bij het begin. Auteur Ingo Swann is een man met een fascinatie voor de kracht van de geest, en dan vooral het zogenaamde “paranormale”: telepathie, zien-op-afstand, psychokinese, dat soort dingen. Dit boek gaat over buitenzintuiglijke waarnemingen, oftwel ESP (van het Engelse “extrasensory perception“).
Weinig onderwerpen zijn zo controversieel als ESP, hoewel men meteen ook kan argumenteren dat weinig onderwerpen zo boeiend zijn. Het fenomeen past niet in het Newtoniaanse wereldbeeld, doch studies (en persoonlijke ervaringen van het gros van de wereldbevolking) tonen keer op keer aan dat het fenomeen zich wél voordoet - passend in het populaire wereldbeeld of niet. Het is alleen zo dat, hoewel experimenteel en mathematisch aangetoond wordt dat ESP (soms ook Psi genoemd) bestaat, de basiscomponenten ervan vrij ongrijpbaar lijken.
Deels is dit, volgens de auteur, een gevolg van de labels die we op deze fenomenen plakken, en die het onderzoek kleurden en soms hinderden. Die labels zelf zijn een gevolg van een bepaalde manier van denken. Zo werd er bij experimenten rond telepathie steeds uitgegaan van een “zender” en een “ontvanger”, wat onmiddellijk al toont hoe over dit fenomeen gedacht werd: het doorsturen van informatie van geest A naar geest B. Er is echter geen bewijs dat het fenomeen op zo’n manier werkt. F.W.H. Myers, misschien bekend van de Britse Society for Psychical Research (Zowel Myers als de SPR zijn -of beter gezegd, waren- verbonden met de auteur van onder andere “Swan on a Black Sea“), bedacht de term “telepathie” als een samenvoeging van “tele”, Grieks voor “ver”, en empathie. De onbekende componenten van telepathie werden voorgesteld als analoog met straling en signalen gelijkaardig aan radiosignalen. En zolang onze concepten gevangen zitten in dat specifiek etiket, is het onwaarschijnlijk dat men op een andere manier over telepathie gaat denken.
Over hoe de geest werkt, wist Lawrence Hinkle Jr, geciteerd uit “The Manipulation of Human Behaviour” door Ingo Swann, het volgende te zeggen: “The brain, the organ that deals with information, also organises its responses on the basis of information previously fed into it.” Deze informatie, in de vorm van een persoonlijkheid die ontwikkeld wordt door een leven van ervaringen, zowel als de onmiddellijke houdingen tegenover, en bewustzijn van, de onmiddellijke omgeving, conditioneert de manier waarop de hersenen zullen reageren op een bepaalde situatie.
Ingo Swann stelde vast dat de labels die op ESP ervaringen gekleefd werden, functioneerden als filters, en dat ze wel een intellectueel doel dienden, maar tegelijk in de weg stonden van de echte ESP ervaringen. Tijd voor een nieuwe aanpak en nieuw begrip dus. En Swann’s methode is mijns inziens de best mogelijke: persoonlijk bewijs. Eigen ervaring is de enige geldige gemeenschappelijke deler van de realiteit. Swann noemt alle vormen van ESP “psychisch-metabolische functies die zichzelf aandienen aan het bewustzijn als persoonlijke ervaring”. ESP functioneert volgens regels die nog niet helemaal begrepen zijn, maar dat neemt niet weg dat het ervaren en getest kan worden (en wellicht ooit -beter- begrepen).
Tot zover hoofdstuk 1. Voor wie nog meeleest: hoofdstuk 2 draait rond een herdefinitie van wat ESP dan eigenlijk is. Er wordt een overzicht gegeven van gebruikte termen en wat er precies mee aangeduid werd, waarvoor in de bestaande, soms van meer dan 150 jaar oude, literatuur gedoken wordt. In die literatuur komen allerhande fenomenen aan bod die soms spectaculair lijken (het voelen van objecten buiten het lichaam, zonder ze lichamelijk aan te raken, bijvoorbeeld), maar toch niet zo zeldzaam (zelfs bepaalde hypnotische trances kunnen dit fenomeen van externalisatie van de zintuigen bewerkstelligen). Het is misschien nuttig op te merken dat Russische wetenschappers niet spreken over “buitenzintuiglijke waarnemingen”, maar over “bio-informatie”. Deze term heeft het voordeel dat hij komaf maakt met de gebruikelijke labels en manieren van denken over dit fenomeen, en eigenlijk de nadruk legt op het verkrijgen van informatie, in plaats van het bezitten van een soort zesde zintuig. Swann blijft echter doorheen heel het boek zelf de term ESP gebruiken.
Wat Swann tussendoor ook doet, is ESP opsplitsen in drie categoriën: Hard-wired ESP, semisoft-wired ESP, en soft-wired ESP. Onder Hard-wired ESP wordt het “voelen” of ervaren van een ding of gebeurtenis verstaan die als objectief feit kan aangetoond worden. Bijvoorbeeld een bepaald voorwerp op een bepaalde locatie, iets dat gecontroleerd kan worden, dat onmiddellijk fysiek bewijsbaar is. Semisoft-wired ESP is het “ontvangen” van een idee of informatie die toelaat een nieuw project of nieuwe uitvinding af te werken - of zelfs tot een nieuwe uitvinding kan leiden. Deze nodige informatie wordt ontvangen via bio-energetische of ESP kanalen uit een vooralsnog onbekende bron. Dit voorwerp of deze uitvinding kan dan in werkelijkheid gemaakt worden, waardoor aangetoond wordt dat de informatie inderdaad correct was. Iets wat na verloop van tijd bewijsbaar is, dus. Soft-wired ESP, tot slot, bevat die zaken, verkregen via ESP, die niet objectief verfieerbaar zijn; vaak filosofische of metafysische concepten.
In een volgend hoofdstuk argumenteert Swann dat de informatie, ontvangen middels ESP, slechts in die delen van het bewustzijn komt die geschikt zijn om het te ontvangen. Hij beschrijft zijn concept van een “mind mound“, een heuvel van de geest die uit bewuste en onbewuste lagen bestaat, met een ESP kern, en waar bomen en planten op groeien die onze bewuste opvattingen en labels omtrent ESP zijn, met diep gewortelde waarden. Wanneer een ESP ervaring zich aanbiedt, dient ze door deze lagen van eerst onbewuste en dan bewuste geest te dringen, om vervolgens geïnterpreteerd te worden door de intellectuele labels en waarden en visies. Het doel, dan, is om deze laatste zoveel mogelijk uit de weg te krijgen, zodat de ervaring zelf kan plaatsvinden en zonder preconcepties bestudeerd kan worden.
Van in het begin werd immers verwacht dat ESP ervaringen de fysieke zintuigen zouden nabootsen (helderziendheid, helderhorendheid, spreken op afstand, ….), en er is enige rechtvaardiging daarvoor omdat er inderdaad gevallen zijn waarin dat gebeurt. Er zijn echter ook andere gevallen, die evengoed onder ESP te ordenen zijn, maar die niet zo flagrant een fysiek zintuig nabootsen. Om deze gevallen ook te herkennen wanneer we ze tegenkomen, is het nodig om bepaalde preconcepties te laten varen.
Na deze meer theoretische hoofdstukken, interessant als ze zijn, begint het rubber het asfalt te raken wanneer Ingo Swann begint te schrijven over zijn eigen ervaringen als deelnemer aan ESP onderzoek. Zoals de traditie vereiste, waren de eerste proeven waaraan hij deelnam experimenten in het via ESP “zien” van objecten in een afgesloten doos. Hij moest dan verbaal beschrijven wat hij meende te zien, en afhankelijk van de accuraatheid van zijn beschrijvingen werd de test als een “hit” of een “miss” aanzien.
Het probleem met deze aanpak is dat je een extra filter toevoegt, door een beeld dat vaak niet helemaal helder of duidelijk is te omschrijven in woorden. Ook is het zo dat woorden automatisch associaties oproepen aan andere dingen, die niets te maken hebben met het “geziene”, maar zich opdringen en de ESP ervaring onderdrukken omdat de associaties zo krachtig zijn. Swann kwam echter op het idee om, in plaats van te beschrijven wat hij zag, te tekenen wat hij zag. Zeer logisch, achteraf gezien, maar in de vroege jaren ‘70 leek het revolutionair. En de resultaten waren er ook naar: wat moeilijk verbaal te omschrijven viel, en dus als een “miss” beschouwd zou worden, kon nu dankzij tekeningen vaak nog op een gehele of gedeeltelijke “hit” uitdraaien. De tekeningen waren soms in spiegelbeeld, soms fragmentarisch, maar het was duidelijk dat er heel vaak wel iets doorkwam, wat met de techniek van verwoorden niet onder de aandacht kwam, of als een foute omschrijving beschouwd zou worden.
Het boek bevat tal van voorbeelden die het nut van tekeningen in dit soort experimenten aantonen. Lijnen die lijken op een soort Arabisch schrift blijken, wanneer neergeschreven, ondersteboven “7-UP” te spellen - wat te lezen was op een blikje in de doos tijdens een van de proeven. Of de letters “UT” zouden op zich niet relevant zijn tijdens een andere proef, maar neergeschreven blijkt dat ze, wanneer je de U en de T tegen elkaar plakt, een “5″ op zijn kant vormen, wat dan weer wél relevant was.
Een wereld ging open dankzij deze nieuwe aanpak, en Swann besloot om te graven in het werk van eerdere onderzoekers om te zien of deze techniek reeds eerder gebruikt was. Dat bleek zo te zijn, en met dezelfde opmerkelijke resultaten. Hij las in vijftien jaar alle publicaties omtrent het fenomeen in het Engels en Frans, en ontdekte dat hiermee geëxperimenteerd werd sinds het begin van het systematisch onderzoek naar paranormale gaven aan het begin van de 19e eeuw. Er werd toen echter niet speciaal veel belang aan gehecht, het was slechts één van de dingen die onderzocht werden.
De eerste barsten in het oude denkkader, de klassieke manier om over ESP te denken, kwam er dankzij L.L.Vasiliev, een Russische fysioloog aan de universiteit van Leningrad in de jaren 1920. Het doel van zijn studies rond telepathie was om zo ver mogelijk de fysieke basis ervoor te bepalen. Vasiliev stelde vast dat geen enkele electromagnetische barrière enige invloed op telepathie had, en zelfs dat de “verzonden” boodschap soms reeds “ontvangen” werd vóór het eigenlijke “verzenden”. Dit leidde hem ertoe te speculeren dat de verzender meer te vergelijken was met een stemvork, die de ontvanger afstemde op dezelfde golflengte.
Vasiliev was ook, samen met de Amerikaan Penfield, bij de eersten om het interessante idee te opperen dat de geest zich niet zozeer in de hersenen bevindt, maar dat delen ervan extern aan het lichaam kunnen zijn. De hersenen worden niet aanzien als telepatisch, maar eerder als centrale verwerkingseenheid voor informatie die telepathisch opgepikt wordt, en die dan aan het bewustzijn gepresenteerd kan worden - als dat bewustzijn tenminste niet de gewoonte heeft deze informatie weg te filteren vooraleer ze aan te top van de heuvel opborrelt.
Tussen de jaren ‘30 en ‘70, terwijl de Amerikanen volop ESP aan het testen waren met kaarten en dobbelstenen, namen de Russen afstand van het leeuwendeel van de standaard parapsychologie, en ontwikkelden een nieuw veld genaamd “psychoenergetica”; waar onderzoekers belangrijke ontdekkingen deden in het opsporen van de energetische processen die aan de basis van ESP zelf liggen. Pas in 1982, dankzij het vertalen (in het Engels) van het boek “Parapsychology and Contemporary Science” werd duidelijk hoe ver de Russen in deze reeds gevorderd waren. Het beeld dat de Russen hebben van ESP en Psi verschilt heden ten dage heel wat van het oude idee waar de Amerikanen (en de rest van het Westen, eigenlijk) zich nog aan vastklampen (hoewel dat beeld begint bij te draaien). Rekening houdend met het nonlocaliteitsprincipe van quantumfysica, postuleren de auteurs Dubrov en Pushkin dat “een helderziende, door gepaste focus, de golfstructuur van een verafgelegen object naar boven brengt, daar deze golf latent aanwezig is in elk punt in de ruimte”. Met andere woorden, quantumfysica kan een mogelijke verklaring geven voor zogenaamde “paranormale” fenomenen als zien-op-afstand, telepathie, etc…
“Natural ESP” stelt ESP voor als een natuurlijk talent, aanwezig in iedereen. De beste manier om hiervan overtuigd te worden, is om het zelf te testen en te ervaren, zonder het blind te geloven of af te wijzen. Middels tal van voorbeelden van tekeningen gemaakt tijdens ESP onderzoek, belicht Ingo Swann de verschillende manieren waarop de informatie in ons bewustzijn kan komen. Een tekening kan 100% correct zijn, maar ze kan ook op verschillende manieren afwijken van het doelobject: er kan slechts een indruk van een bepaalde richting of overheersende lijnen zijn (een tekening van spiralen in plaats van een gekruld blad), een thema gerelateerd aan het object, een variant (zoals een vooraanzicht van de kop van een kat in plaats van een hele kat in profiel), door elkaar gegooide componenten (zoals een ballon, een bakje en een schroef, in plaats van een samengestelde zeppelin), een tekening in spiegelbeeld of ondersteboven, etc…
De kracht van dit boek ligt hem in het feit dat het geen droge theoretische studie is (of toch niet helemaal), maar eerder een combinatie van persoonlijke ervaringen en onderzoek van de auteur, gekoppeld aan het zeer praktische gegeven dat iedereen dit kan uitproberen, en voor zichzelf kan vaststellen dat dit fenomeen zich voordoet, persoonlijk ervaren kan worden, en geoefend kan worden. De tijdens proeven gemaakte tekeningen zijn doorgaans vrij simpel, en zelfs in gelijkaardige stijl, wat op zich opmerkelijk is. Indien men niet zou weten dat deze tekeningen door verschillende personen, soms meer dan een eeuw uit elkaar, gemaakt zijn, men zou kunnen denken dat het dezelfde persoon is die al deze tekeningen maakte.
Complexe tekeneningen bestaan vaak uit toevoegingen aan, of onbewuste interpretaties van, het doelobject. Dat het onbewuste een rol speelt is wel duidelijk, en de voornaamste horde waarover gesprongen moet worden, is het persoonlijke wereldbeeld, en het opzij schuiven van persoonlijke labels en definities, want het ESP fenomeen lijkt anders in elkaar te zitten dan hoe men er lang over dacht. Het moet uit het onbewuste naar boven kunnen borrelen, en dat vereist dat het bewuste gedeelte van onze geest daar de ruimte voor voorziet, zonder meteen in te grijpen of te interpreteren.
In “Natural ESP” worden enkele bevindingen gepubliceerd die toenertijd (1987) nog niet eerder in boekvorm gepubliceerd waren. Voor wie geïnteresseerd is in ernstig onderzoek naar dit fenomeen, en/of op een ernstige manier ermee wil experimenteren, is dit boek verplichte kost.